Eerste concerten


vrijdag
14 december
Rotterdam

zaterdag
15 december
Utrecht

zaterdag
15 december
Capelle aan den Ijssel

Volledige agenda

cd 'op weg naar Jeruzalem'


Vanaf nu verkrijgbaar: de nieuwe cd van Kees Alers. 'op weg naar Jeruzalem', samen met Joost van Belzen, op het prachtige 'van Dam' orgel (grote kerk Tholen). W&B 0218




HAYNES!


Vanaf April 2018 speelt Kees Alers ook op een zilveren Handmade Haynes Dwarsfluit! Bouwjaar...1955!




NIEUWE CD!


Vanaf vrijdag 6 oktober verkrijgbaar!

De nieuwe cd van Kees. SAVIOUR

Prachtige bewerkingen voor fluit en orkest, gearrangeerd door niemand minder dan Marco den Toom.

Winkelprijs €16,90




LUISTER!


BELUISTER OP DEZE SITE INSPIRERENDE MUZIEKFRAGMENTEN! (kijk en luister bij: CD's)




FOTO TELEVISIEOPNAME 'DE KAPEL'


Foto: © Willem Jan de Bruin




LEUKE CD!!


 Instrumentale CD "DUET" met medewerking van Arjan Breukhoven-piano.

Bekende fluittoppers en prachtige aria's uit de grote opera's! label: STH Records 1413042




DIK KUIPER DWARSFLUIT


Vanaf september 2012 speelt Kees Alers ook op een Dik Kuiper dwarsfluit. Dik Kuiper (1913-2006) bouwde dit instrument in 1952. Kuiper probeerde een zilveren fluit te bouwen, maar wel met de houten dwarsfluit als klank-ideaal.




MOOIE SITE OVER JOHANN JOACHIM QUANTZ!


Prachtige en uitvoerige site over de (misschien wel) belangrijkste componist van fluitmuziek!   www.jjquantz.org




BEST WEL RAAR EIGENLIJK.....


Als je ziet hoe ongelofelijk veel dwarsfluitleerlingen er zijn, moet het aantal meesterfluitisten niet te tellen zijn. Toch is dat niet zo. Deze tegenstrijdigheid wordt veroorzaakt door een aantal venijnige trekjes die aan het dwarsfluitspelen kleven.

De dwarsfluit hoort- met de hobo, klarinet, saxofoon en fagot- tot de groep van de houten blaasinstrumenten. Het begrip 'hout' is bij de fluit betrekkelijk, aangezien het instrument tegenwoordig meestal van metaal gemaakt wordt.

Het instrument is geliefd bij beginnende muzikanten. Het is handzaam: gewoon een cilindrische buis met kleppen en het heeft een hoge schattigheidsfactor (fluitspelend meisje op Koningsdag). Verder is het warme klankkarakter voor velen interessant. Laten we eerlijk zijn, veel ouders horen hun kinderen liever dwarsfluit of viool studeren, dan slagwerk of trompet. En, je kan er verhoudingsgewijs snel mee uit de voeten. De dwarsfluit, zo luidt dan ook de mythe, is een muziekinstrument dat snel en gemakkelijk onder de knie te krijgen is.  Vandaar dat stuwmeer aan fluitleerlingen.

Dit misverstand is niet van gisteren. Al in de achttiende eeuw was de traverso (de oorspronkelijke naam voor de dwarsfluit) enorm populair bij beperkt getalenteerde muziekliefhebbers. Dit in tegenstelling tot de recorder: de rechtstandig bespeelde blokfluit. Frederik de Grote had er zelfs iemand voor in vaste dienst: de fluitist en componist Johann Joachim Quantz. Quantz gaf de vorst fluitles en componeerde zo'n driehonderd (!) fluitconcerten voor zijn vorstelijke werkgever. Bekijk de overzichtelijke site www.jjquantz.org om meer te weten te komen over Johann.

Helaas, het grootste deel van die berg enthousiaste fluitspelers zal het nooit leren. Want de eerste mentale klap valt al na enige lessen. Als namelijk blijkt dat de fluit weliswaar licht van gewicht is, maar wel een loodzwaar beroep doet op de beheersing van de longen. Bijvoorbeeld: hoe lager de toon op een fluit, hoe meer lucht er in het kwadraat door die buis geblazen moet worden. En dat alleen nog maar om die noot hoorbaar te laten zijn! De altfluit, die voorzien is van een bredere boring dan de gewone fluit, kan een ongeoefende bespeler een vervelende hyperventilatie bezorgen! Het 'duidelijk' aanblazen van de dwarsfluit kost dus al zoveel training en energie, dat de meeste vrijetijdsfluitisten nooit zullen toekomen aan een écht levendige muzikale frasering en interpunctie. En dat is nog maar het begin. Want de fluit heeft meer hindernissen! Zoals de zogenaamde vorkgrepen (hulpgrepen). De vork-of hulpgrepen moeten worden toegepast om sommige hoge noten te kunnen spelen. En dat is niet gemakkelijk! Het dwingt de fluitist namelijk tot het optillen van 'onlogische' vingers. Een nogal onaangenaam bijverschijnsel. Probeer maar eens: leg je hand op tafel en til je middelvinger en pink tegelijkertijd op! Lastig hoor!

Juist bij die hoge tonen, juist op het moment dat iedereen de fluit in het orkest of ensemble goed kan horen, moet de fluitist deze vorkgrepen, deze moeilijke technische handeling verrichten! En daarop nu, hadden al die kinderen uit het dwarsfluitstuwmeer niet gerekend. En nog veel minder potentiële leerlingen zullen zich realiseren, dat juist dóór die speeltechnische laagdrempeligheid, het op de fluit een 'tour de force' vergt, om muzikaal iets bijzonders te verrichten. Ziedaar de barre realiteit van een ogenschijnlijk gemakkelijk te bedwingen, maar in werkelijkheid zwaar onderschat muziekinstrument. Het verbaasd ons daarom ook niet dat Wolfgang Amadeus Mozart de fluit haatte om zijn valse karakter (Mozart heeft het in zijn brieven over 'lawaaibuizen'). Totdat hij Johann Baptist Wendling hoorde spelen, de meesterfluitist van de Mannheimse Hofkapel. Dat leverde de muziekliteratuur onmiddellijk twee wonderschone fluitconcerten op!

 




WIST JE DAT?.....


Dwarsfluiten pas sinds 180 jaar van metalen gemaakt worden?
Vroeger werden de fluiten gemaakt van klei, bot of hout. De metalen fluiten hebben veel voordelen boven de organische! Een houten fluit kan splijten of de polster sluit niet doordat het toongat niet vlak is.

  

Hieronder een overzicht van de meest gebruikte metalen:

MESSING: Geelkleurig. Bestaat uit een legering van 70 procent koper en 30 procent zink. De messing fluiten worden verzilverd. Ze worden veel in de lespraktijk gebruikt.

NIKKELZILVER: (ook alpaca of nieuwzilver genoemd).
Deze legering bevat geen zilver, zoals je zou denken, maar 65 procent koper, 30 procent zink en 5 procent nikkel. Het voordeel van de toevoeging nikkel is dat de dwarsfluit minder oxideert.

ZILVER: Vooral sterling zilver wordt gebruikt. Deze legering bevat 92,5 procent zilver en 7.5 procent koper. Het soortelijk gewicht bedraagt 10.3 g/cm3

GOUD: Goud is eigenlijk te zacht om te gebruiken en daarom altijd gelegeerd met andere metalen. Koper, zilver en palladium worden het meest aan goud toegevoegd.
Bij 14 karaat is het goudaandeel 58,5 procent.
Bij 18 karaat is het goudaandeel 75 procent.
In Groot-Brittannië wordt ook wel 9 karaat gebruikt. 9 karaat bevat 37.5 procent goud.
In Nederland gebruiken we meestal 14 karaat goud. Dit heeft als soortelijk gewicht 15.1 g/cm3

PLATINA: Platina is heel hard en het soortelijk gewicht is hoog, namelijk 21.5 g/cm3.

 

Wat bepaald nou het verschil in klankkleur tussen deze metalen? Het is moeilijk om daar een definitie van te geven. De manier van spelen en persoonlijke voorkeur, spelen een grote rol. Fluitisten waarderen zilveren en gouden dwarsfluiten het meest. In het algemeen zou je kunnen zeggen dat zilveren dwarsfluiten een warme klank hebben, terwijl goud wordt geprezen om zijn volle donkere toon.

Veel fluitenbouwers experimenteren met de samenstelling van de legering. Zo heeft Lafin een kopstuk ontwikkeld waarvan de wand is gemaakt van zilver, maar gelegeerd is met 15 procent goud. Powell brengt fluiten op de markt waarvan de buis aan de binnenzijde bestaat uit goud en aan de buitenkant uit zilver.

In het algemeen wordt gesteld dat de klank donkerder wordt naarmate het soortelijk gewicht toeneemt. Niet alleen het soortelijk gewicht, maar ook de hardheid van het metaal speelt een grote rol bij de vorming van de klank. We weten dat metaalatomen zich hergroeperen. Ook daardoor wordt metaal harder. Dit proces heeft normaal gesproken tientallen of zelfs honderden jaren nodig. Oude fluiten als Rudall-Carte, Bonne Ville  en Louis Lot zijn bij sommige fluitisten zeer gewild. Die fluitisten zeggen dat oudere fluiten een unieke klank voortbrengen. Die klank zou te danken zijn aan dit verhardingsproces.

Niet alleen de metaalsoort speelt een rol bij de vorming van de klank. Ook allerlei andere factoren als de vorm van het mondgat en van de taps toelopende kop spelen een rol. Maar het meest van invloed is de bespeler zelf!

Bij het aanschaffen van een nieuwe dwarsfluit kan men het beste zoveel mogelijk instrumenten van verschillende metaalsoorten uitproberen. Want het is de fluitist zelf die het beste weet welke fluit bij hem of haar past!

 

  

Weet je dat de E2 (de middelste E van de dwarsfluit) door heel veel fluitisten als vals, te laag, dof en lelijk wordt ervaren?
Speel maar eens de toonladder van E (4 kruizen). Je hoort dan dat de E2 niet lekker in de toonladder klinkt. Hij is  meer dof dan de tonen/noten er om heen.
Oorzaak: niemand weet het precies. Noem het een handicap van de moderne dwarsfluit.
Het is wel verbazingwekkend dat dwarsfluiten met een iets hogere stemming (bv. Altus, Sankyo, Miyazawa, Hernals) A=444/446 daar minder last van hebben.
Kan je er iets aan doen?
Ja en Nee!

De fluit klinkt natuurlijk gewoon zoals hij klinkt, daar kan niemand verder iets aan doen.
Maar je kan met een hulpgreep het wel beter laten klinken. Of dat in de praktijk uitvoerbaar is, is natuurlijk de vraag!!

HULPGREEP 1: Als je de E grijpt, druk dan met de derde vinger van je rechterhand het eerste trillerklepje een beetje in (dus niet helemaal). Je hoort dat de E beter wordt!

HULPGREEP 2: Als je de E grijpt, druk dan met je rechterpink niet alleen de Disklep open, maar ook je Cisklep dicht. (Twee kleppen met je rechterpink!!) Moeilijke greep! Maar je hoort dat de E opknapt!

  

Je kan voor het onderhoud en reparaties aan je instrument  gaan naar:

Andries Vis (Zoetermeer} Telefoon: 079-3165319
Hildo Schuurman (Delft) Telefoon: 015-2147335

Music All In (Noordwijk) Telefoon: 071-3615698

Frans van Geffen (Nijmegen)  Telefoon: 024-3606896

 

Bladmuziek bestel je gemakkelijk bij:

Broekmans en van Poppel Telefoon: 020-6796575  www.broekmans.com

Hooren en Hees Telefoon: 033-4632156  www.bladmuziekamersfoort.nl




GESCHIEDENIS VAN DE FLUIT TOT 1400


De oudste fluiten zijn gevonden in de grotten van Lascaux en de Carabanken.

Veel fluiten werden gemaakt van beenderen. Bekend is dat er volkeren waren die de poten van kraanvogels gebruikten om er fluiten mee te maken. In het allereerste begin werden de fluiten gemaakt van pijpjes uit het oeverriet. Het systeem met gaatjes in de buis kende men nog niet: verschillende kleine korte (hoge) en lange (lage) buisjes, pijpjes, werden bij elkaar gebonden, en zo ontstond er de z.g. Pan(s)fluit. Er zijn Pansfluiten gevonden met de langste (laagste) pijp in het midden. Een merkwaardig feit is dat dit instrument overal ter wereld is terug gevonden.

De fluit had in het begin nog geen melodische functie, maar werd vaak gebruikt bij rituele uitvoeringen (dood- en wedergeboorte).De fluit heeft vroeger niet altijd wat te maken gehad met dood of wedergeboorte. Bij de noord- Amerikaanse Indianen was het een instrument wat in het teken stond van de liefde, of bij het aanbidden van de Totem (een houten paal die de eigenschappen heeft van een dier).

Er worden bij opgravingen van mummies en andere doden vaak fluiten gevonden. Aangezien de fluit een leven-opwekkend instrument is hebben we dan ook niet te maken met dode fluitisten, maar met een meegegeven kado in de dood. Wanneer het gebruik van de dwarsfluit begint weten we niet. De vorm van de dwarsfluiten loopt erg uiteen. Ook in China, Azië en Afrika heeft de fluit altijd een voorname rol gespeeld.

 

DE FLUIT IN VERSCHILLENDE LANDEN:

 

MESOPOTAMIË

Hier werd de fluit niet vaak gebruikt aangezien men de voorkeur gaf aan de snaarinstrumenten. Pas 2600 voor Christus worden er fluiten gebruikt bij rituele opvoeringen. Men noemde ze 'TIGI'. Ook kende men bolle fluiten, die je soms in wereldwinkels te koop ziet liggen.

De dwarsfluit is in zijn dwarsstaande houding weinig uitgebeeld omdat men niet genoeg ruimte meer had om andere instrumenten of voorstellingen te tekenen, en omdat men bang was dat het de indruk zou wekken een figuur met een erectie voor te stellen.

 

EGYPTE

In de Egyptische tijd werd er door het 'gewone' volk geen muziekinstrumenten bespeeld. Het bespelen van een instrument was iets verhevens en alleen toegestaan aan de geestelijkheid (priesters). Alleen bij begrafenissen werd er op instrumenten (fluiten) gespeeld door slaven, waarna ze, bij de graftombe aangekomen, werden vermoord (instrumenten waren 90 cm lang, 2 cm in doorsnee, en hadden 6 gaten). De instrumenten die in het oude Egypte werden bespeeld hadden al enorm veel mogelijkheden. Het geluid was een beetje onwezenlijk. In de Aziatische landen worden deze instrumenten nog steeds gebruikt. Náy=Egyptisch voor fluit.

We weten veel van de Egyptische muziek omdat de Egyptenaren alles opschilderden en opschreven. Ook heeft de enorme droogte van de grond een rol gespeeld bij het conserveren van de spullen. Op sommige instrumenten kon men zelfs al een diatonische toonreeks spelen.

 

ISRAËL (ongeveer 2000 voor Christus)

In dit land was het een algemeen verschijnsel dat iedereen een instrument bespeelde. Men kende geen beroepsmusici. Daar is pas sprake van onder koning Salomo en onder koning David. Er werden toen zelfs scholen gesticht om de musici op te leiden. We weten helaas erg weinig van de oude instrumenten en hun bespelers uit Israël, aangezien de Bijbel tegen het afbeelden is van mensen en dingen.

Ugab= Israëlisch voor Fluit

In de Talmoed wordt wel gesproken over fluiten van massief metaal. Over het algemeen werden de fluiten van riet gemaakt.

Grote Fluit = Haliel

Kleine Fluit = Inboeboe

Dubbel Fluit = Ahamot

De fluit kreeg in Israël een slechte naam omdat het het favoriete instrument van de publieke vrouwen was.

 

GRIEKENLAND

Plagy Aulos = Grieks voor fluit

Het mondstuk zat niet op de buis van de fluit, maar op een haaks stukje op de buis (fluit was 60cm lang, met mondstuk op een kwart van de buis). In Londen liggen twee bronzen fluiten uit die periode.

Men zegt dat de Griekse god Midas de dwarsfluit heeft uitgevonden.

De fluit kon alle gemoedstoestanden opwekken, en werd vernoemd naar de streek waar ze vandaan kwam (bijv. Lydië, Frigië). Onderling verschilden de instrumenten erg van vorm.

Syrinx = Grieks voor Pan(s)fluit

Er schijnen in het oude Griekenland welzeker drie fluitvirtuozen geweest te zijn. De fluit werd gebruikt in de tussenspelen van de tragediën.

 

DE ROMEINEN

De Romeinen namen alles over van de Griekse cultuur, en ook de fluit werd geïmporteerd, dus werd zeker niet door de Romeinen zelf uitgevonden. (aan hun bouwkunst kan je overigens ook goed zien dat alles geïmporteerd en geïmiteerd werd!)

Ze noemde de fluit Fistula, of Flatus, hetgeen windblazen betekent.

Grote technieken waren onbekend. Wel kende men de z.g. 'Fluitkoren', waar zo'n 100 tot 200 fluitisten tegelijk optraden.

 

CHINA

In het oude China kende men 1200 à 1600 voor Christus al een fluit. Deze was bolvormig en men noemde het de Hsuah. Later worden er 4 soorten fluiten gebruikt, die men in twee groepen onderverdeelt, n.l. de Bamboefluiten en de Kerffluiten.

 

INDIA

In het oude India waren de Kerffluit en de Dwarsfluit van veel belang. We weten dat door tekeningen (reliëfs) die zijn gevonden.

De fluit had, en dat is erg belangrijk , een aristocratisch karakter. We kunnen in de oude verhalen lezen dat Krishna op zijn fluit speelde en de hele wereld aan zijn voeten lag (vogels onderbraken hun vlucht om te luisteren, bloemen spitsen hun geurige knoppen).

 

MIDDEN AMERIKA

De oude Azteken en Maya's hadden een enorme cultuur ontwikkeld (vooral bouwkunst en architectuur). Maar ook dit volk bleef enorm achter op muzikaal gebied. Zo kende men wel trommelinstrumenten of een eenvoudige fluit, maar bijvoorbeeld helemaal geen snaarinstrumenten.

Dat eenvoudige fluitje was wel erg belangrijk. Het was een kerfspleetfluit. (Men blaast aan de kop van het instrument op een kleine spleet. Aan de zijkant van het instrument zit een gat, daar komt de lucht tegenaan die door de spleet wordt geblazen. Daardoor ontstaat er een hoge, schelle toon.)

Zuidelijker,in het noordelijk deel van Zuid-Amerika, is de cultuurontwikkeling veel lager, maar daarentegen is de muziekontwikkeling veel hoger. Men gebruikte er Pan(s)fluiten, waar men zeer goed mee overweg kon. Deze Panfluiten bestonden in allerlei vormen, open-en dichte onderkanten, dubbel Panfluiten die d.m.v. een koord met elkaar verbonden waren, en waar door 2 mannen op werd gespeeld.

 

DE FLUIT IN DE MIDDELEEUWEN

 

VERRE OOSTEN

De Chinese cultuur was in de middeleeuwen sterk onderhevig aan de westerse beschaving. Die invloeden verkregen ze door oorlogen etc. Fluiten werden gemaakt van bamboe. Soms boorde men in de fluit een extra gat waarover men een uienschilletje deed . Bij het bespelen van de fluit begon het uienschilletje te trillen en bracht een nasaal geluid voort.

In de Chinese tijd van toen onderscheiden we 4 hoofdtypen dwarsfluit. (Er waren ook Japanse invloeden.)

De Chinese muziek verschilt enorm met die van ons. Aangehouden (lange) tonen zijn per definitie saai en onmuzikaal.

 

NABIJE OOSTEN

De Arabische beschaving is veel ouder dan wij gewoonlijk denken. Een belangrijk instrument aldaar was de Nay, die al reeds 3000 voor Christus door de Egyptenaren gebruikt werd. Het is een lange rieten buis met 6 gaten. Het geluid begint bij de eerste boventonen, omdat de ondertonen niet goed te horen zijn.

 

INDIA

Een belangrijke bron van informatie over de muziek uit India uit de middeleeuwen vormt de Boeroeboedoer op Java. Dat komt omdat er omstreeks 800 na Christus veel Indonesiërs op Java woonden. Deze bouwden daar bovenstaande tempel en brachten daar vele tekeningen uit het dagelijks leven van India op aan.

Onder die tekeningen waren er ook van instrumenten uit die tijd. (dwars-, pans- en kerffluiten)

 

HET VROEGE EUROPA

Bijna alle instrumenten uit midden Europa zijn afkomstig uit Azië.

Europa had niets, en er was ook niets.

Via Byzantium (Constantinopel), het land wat Europa en Afrika dmv neutraal te zijn in vrede hield (vredesonderhandelingen etc.), en via noord Afrika, kwamen de instrumenten Europa binnen.

Waarschijnlijk is alleen de lier een instrument wat ook werkelijk in Europa ontstaan is. De erfenis van de Grieken en de Romeinen is daarbij vergeleken onbeduidend.

In Europa was de dwarsfluit nog niet ontstaan. Guillaume de Machaut heeft het in zijn gedichten over rechtopstaande- en dwarsfluiten. Die rechte fluiten noemden ze flageol, waar een hoog geluid uit kwam. Later ontstond uit de naam van het instrument het woord flageolet.

De fluit kwam verder naar het westen via Hongarije, Bohemen (we kennen de Bohemische fluit), Duitsland, en zo verder. Er zijn uit die tijd in Italië afbeeldingen gevonden waarop dwarsfluiten staan afgebeeld.

In Kiev zijn in een kerk fresco's gevonden waar allerhande jongleurs staan afgebeeld. Ook hier is een dwarsfluitspeler te vinden.

In het boek 'Canticas des Santa Maria', een boek uit Spanje, staan twee fluitspelende nonnen afgebeeld.

Aan het eind van de 12e eeuw schreef een abdis uit de Elzas, Herrat van Lansberg, een encyclopedie: de 'Hortus Dicilianum', waarin een dwarsfluit wordt beschreven die de naam Schwebel met zich meedraagt.

We kunnen rustig aannemen dat het voor 1000 na Christus in Europa, op het gebied van de dwarsfluit, een kale boel was.

In Hongarije is een aquarel gevonden uit de 11e eeuw, met daarop een afbeelding van een fluitspeler.

In de vroegchristelijke tijd waren er bijna geen dwarsfluiten. Toch sprak de geestelijke Solimnus al over 8 verschillende soorten fluiten.

De invloed van de kruisridders en de Grieken en Romeinen is erg groot geweest als het om de verspreiding van de dwarsfluit in Europa gaat.

Muziekinstrumenten waren verboden in de kerk. Diegenen die toch een instrument bespelen zijn speellieden, troubadours, minstrelen, het tuig. De fluit was een instrument dat bij uitstek door hoeren werd bespeeld (onzedelijk instrument). Er werd uitsluitend geïmproviseerd om het lied en de dans te begeleiden.

Omstreeks 1400 tot 1600 begint de instrumentale muziek op te leven.

De instrumenten spelen versierde bewerkingen van polyfone vocale muziek.

De blokfluit is in die tijd erg populair:

Duits - Blockflöte / Snabelflöte

Frans - Flute a Beck

Engels - Recorder (record = kwelen)

De lucht stroomt bij de blokfluit in het blok via de kernspleet naar het labium (lip)

Men kent: Sopraan Blokfluiten

                Alt Blokfluiten

                Tenor Blokfluiten

                Bas Blokfluiten

 

Duitsland is in de middeleeuwen het centrum voor de ontwikkeling van de dwarsfluit. In Engeland noemt men de dwarsfluit dan ook 'German Flute'.

De Fransman Carloix zei omstreeks 1600 dat het fout was om de fluit 'German Flute' te noemen, omdat  het eigenlijk 'French Flute' moest zijn. Hij vond de Franse manier van spelen veel beter dan de Duitse, vandaar!

In Duitsland werd het instrument vaak voor militaire doeleinden gebruikt, en was bijna altijd gekoppeld aan de cilindrische trom.(speelden altijd samen)

De dwarsfluit was van het einde van de kruistochten tot aan het begin van de 20e eeuw, samen met de trommel, een van de belangrijkste infanterie instrumenten. Het waren eendelige fluiten zonder kleppen. Dus gewoon een pijpje met gaten.

De blokfluit was lange tijd belangrijker dan de dwarsfluit. 

 

 

 




GESCHIEDENIS VAN DE FLUIT VANAF 1400


Renaissance 1400 - 1600

De Renaissance is de hernieuwing van de levensopvatting en de kunsten. Het staat onder invloed van de klassieken. Het begin lag in Italië (Florence).

De meest in het oog springende ontwikkeling in de muziek is de emancipatie (vrijmaking) van de instrumentale muziek uit de vocale muziek. Ze werden onafhankelijk van elkaar. Eerst door dansliederen over te nemen en die naar hun instrument aan te passen. Gaandeweg nemen de instrumenten alle soorten van vocale uitvoeringen in bezit, waarbij ze zich niet beperkten tot de dansmuziek. Zelfs motetten en madrigalen werden op instrumenten uitgevoerd en nog tot de 17e eeuw droegen gedrukte verzamelingen van muziekstukken de tekst: "Om te worden gezongen of gespeeld".

De eerste methodes verschijnen . Deze was voor blokfluit en werd geschreven door Ganassi.

Men ging in ongeveer 1500 aan orkestratie denken. Er is een toenemende belangstelling voor kleur, klank en timbre. Dit alles werkte inspirerend voor het bouwen van nieuwe instrumenten. Deze toenemende belangstelling (dus na 1400) resulteerde daarin dat velen over dit onderwerp gaan schrijven.

Zo schreef Sebastian Vierdung (geboren 1460) in 1515 een boek, getiteld: "Musika Getutscht", wat handelt over de muziek. Het boek is geschreven in de vorm van een dialoog, een samenspraak tussen meester en leerling. De dialoog had de Renaissance uit de klassieke tijd overgenomen. Hij beschrijft in het boek alleen de militaire fluit, ook wel "die Schweizer Pfeif" genoemd. Deze was ongeveer 60 cm lang en had een bereik dat liep van G1 tot C3. De boring is cilindrisch, maar zeer nauw, wat tot gevolg had dat de toon lelijk en schel was.

Zeventien jaar later verschijnt er een nieuw boek over muziekinstrumenten. Geschreven door Martin Sore, die zichzelf omdoopte tot Martin Aqriqula Hij schreef het boek 'Musika Instrumentalisch Deutz'. Het was een methode om verschillende blaasinstrumenten te leren bespelen. Eerste druk 1528. Het boek steunt op dat van Vierdung en was geheel op rijm geschreven. Hij behandelt: Aanzet, Ademhaling, Voordracht, Techniek. Het geheel is gebaseerd op de zangkunst (evenals bij Moyse het geval is). Aqriqula is de eerste die een hele familie dwarsfluiten vermeldt.

De fluit is nog van hout, en bestaat uit één enkel stuk. Aangezien de fluiten uit één stuk bestonden, kon je ze niet stemmen, dus als je een muziekstuk ging spelen waarbij je fluit bijv. te laag bleek, dan liet je een kleinere maken die dan hopelijk wèl stemde.

Dat was de reden waardoor er een heleboel fluitfamilies ontstonden. Bij het hoforkest in Stuttgart worden 35 fluiten genoemd bij de instrumenten index van het orkest.

Van 1571 tot 1621 leefde Michael Schulz. Deze man doopte zichzelf tot Michael Preatorius. Hij was kapelmeester aan vele hoven, had veel roem en was een groot componist en theoreticus. Hij schreef het boek Sintagma Musicum, wat wil zeggen: muzikale ordening. Het boek bestaat uit drie delen, en er wordt de gehele muzikale kennis van die tijd in behandeld.

1e deel: Theorie

2e deel: Instrumenten

3e deel: Praktijk en Vormleer

Hij schreef voor musici en instrumentenbouwers. Dus niet voor amateurs.

Het 2e deel is voor ons interessant omdat zich daarin een tabel bevindt met de omvang van alle blaasinstrumenten. De instrumenten staan ook in het boek zeer nauwkeurig afgebeeld. Het is een standaard naslagwerk voor de 16e eeuw.

Hij beschrijft 8 Blokfluiten (in kwint-kwart verhouding) waarvan de boring conisch was en de mensuur wijd. (grote diameter) Mensuur is de verhouding tussen de lengte en de wijdte van de fluit. Het materiaal was taxushout (naaldboom) of ivoor. Ook noemt hij de dwarsfluit, welke Traversa wordt genoemd.

EN NU WORDT HET INTERESSANT! Hij maakt n.l. een onderscheid tussen 'die Schweize' fluit en de Traversa fluit.

Dit is iets geheel nieuws.

In de traverso zitten 6 gaten waar falset of flageolettonen op kunnen worden gespeeld. Hij heeft het in zijn boek over 8 dwarsfluiten.

2 Sopranen         van ong. 50 cm lang

4 Alt-Tenoren      van ong. 75 cm lang (de voorloper van onze fluit!)

2 Bassen             van ong. 112 cm lang

Zo'n verzameling instrumenten bij elkaar werd Accord- of Stimmungswerk genoemd.

Van 1588 tot 1648 leefde er Pater Mersenne, welke het boek 'die Harmonie Universele' schreef, wat in 1636 uitgegeven werd. Hij houdt zich bezig met de constructie van de instrumenten. Hij was geïnteresseerd hoe de instrumenten gebouwd waren. Mersenne geeft goed uitgewerkte tabellen, waar alles zeer nauwkeurig wordt behandeld. Mersenne was een wetenschapsman.

Duitsland blijft het land van de fluitbouwers. In de 13e en 14e eeuw wordt er in Frankrijk gesproken over de Bohemische fluit, wat niets te maken heeft met de componist Böhm, maar de streek waar die fluit vandaan kwam, n.l. Bohemen. Dit is de tijd dat we een duidelijke scheiding gaan zien tussen de Blokfluit en de Dwarsfluit.

Langzamerhand beginnen de mensen de Dwarsfluit een leuk instrument te vinden omdat het gehoor geeft aan een nieuw klankideaal, n.l. de rustige zachte kamermuziek. Ook vindt er een opname plaats van de Fluit in de Franse muziek. Het is de tijd van de overheersing van de blaasinstrumenten.

Koning Hendrik de Achtste had een muziekinstrumenten verzameling die bestond uit zo'n 350 instrumenten. Opvallend is dat hij in zijn collectie 78 verschillende fluiten had!

Het aantal fluiten was groot, maar deze waren bijna allemaal identiek aan elkaar. De instrumenten werden ingedeeld in koren of families, wat betekent dat de instrumenten op elkaar leken. Het gevolg was dat de instrumenten in allerlei verschillende vormen verschenen.

 




GESCHIEDENIS VAN DE FLUIT 1750-1900


Belangrijk is in deze periode het streven naar emotionele en expressionele muziek.

ROMANTIEK: Het streven naar timbres om emotionele uitdrukking te verkrijgen.

-kleuren mengen

-moduleren

-exacte notatie

-orkestratie is onderdeel van componeren

-instrumenten moeten verbeterd worden

Kracht en volume worden belangrijk!

Zo gebruikte Quantz een mondgat van 8 mm dik, en de Tromlitz fluit had een mondgat van wel 10 tot 12 mm dik. De toon is krachtiger en de lage B komt erbij.

-Francois Devienne (1759-1803) schrijft in 1795 ‘Methode de Flute’. Hij gaf de voorkeur aan een fluit zonder kleppen. Hij vond de matte klank mooier.

-Hector Berlioz (1803-1869)zegt dat het ideale orkest bestaat uit 465 instrumenten. De reden voor die grootte is de overgang van aristocratie naar democratie. (grotere concertzalen)

-Frederick Nolan (1784-1864), een geestelijke uit Engeland vindt in 1808 de brilklep uit, met toevoeging van corrigerende gaten.

-Charles Nicholson (1795-1837) verovert in de periode 1820/1830 de concertzalen. Hij probeert, ten gunste van kwaliteit en volume, de toongaten te vergroten.

-William Gordon (1791-1839), een bekende schotse fluitist, gaat ook de plaats van de toongaten bekijken en de brilklep gebruiken.

 

THEOBALD BÖHM (1794-1881)

De belangrijkste figuur in de ontwikkeling van onze huidige dwarsfluit!

Zijn vader was een beroemde goudsmid en juwelier en het was de bedoeling dat de jonge Theobald zijn vader zou opvolgen in het vak. Vader Böhm was een uitmuntend goudsmid, had een tekencursus gevolgd en ontwierp zelf juwelen. Hij mocht zelfs de kroonjuwelen repareren.

Als kind was Theobald Böhm al bezeten van muziek. Zijn eerste instrument was een flageolet.

In 1810 maakte hij zijn eerste fluit. Dit was naar een model van een vierkleppige fluit. Naast de familie Böhm woonde Capeller, de fluitist uit het hoforkest. Hij hoorde het talent van Böhm en gaf hem twee jaar les. Intussen bleef Böhm de fluit verbeteren. Na twee jaar intensief studeren gaf hij al concerten, een echt talent dus! In 1812 werd hij aangesteld als 1e fluitist van het Isar Thor Theater.

Overdag was Böhm dus goudsmid en ’s avonds speelde hij in het orkest. Böhm vond dit de mooiste periode uit zijn leven. Koning Maximilian2 was zo bezeten van Böhm’s spel dat de hofhouding de ereloge moest reserveren, telkens als Böhm een soloconcert gaf! Ten tijde ven Napoleon begon Böhm zijn eerste studiereis. (Böhm was dus eigenlijk nog steeds een goudsmid.) In 1820 trouwt hij met een kleermakersdochter. Hij voert zijn zelfgecomponeerde fluitconcert zelf op en oogst daarmee veel succes. In 1822 verschijnt dit concert in druk. Hij maakt vijf grote concertreizen en bezoekt daardoor vele grote steden. Hij presenteert zichzelf als edelsmid-musicus, wat ook in zijn paspoort staat. Böhm is niet tevreden met zijn zelfgebouwde Tromlitz fluiten, hij vindt ze maar vals.

Door die ontevredenheid, en omwille van een goede boterham begint Böhm in 1828 met een fluitmakers werkplaats. Eén van de mensen bij hem in dienst is de later bekend geworden fluitbouwer Greve. In die tijd leert Böhm de natuurkundige Schafheutel kennen, welke later Böhm’s  adviseur en beste vriend werd.

We zien een definitieve overgang van de reine stemming van een Quantz fluit, welke maar in bepaalde toonsoorten spelen kan, naar de meer getempereerde Tromlitz fluit met halfgeboorde kleppen, waardoor er in veel meerdere toonsoorten gespeeld  kan worden.

Böhm schrijft over zichzelf:  “Ik ben een goed goudbewerker en verbeter de polsters, kleppen en veren op mijn fluit, alleen de zuiverheid laat op de fluit nog te wensen over.”

Böhm vond, en dat is belangrijk, dat de kleppen geboord moesten worden op de akoestisch juiste plaats, en niet op de plaats waar de fluitist zijn vingers het liefste zet. In 1831 gaat Böhm met zo’n verbeterd instrument op reis om concerten te geven. Hij komt o.a. in Londen en oogst daar erg veel succes. Hij hoort in Londen Nicholson spelen en daar is hij erg van onder de indruk. Nicholson heeft n.l. een enorme toon, wat komt doordat hij grote handen (c.q. klauwen) heeft en daardoor grote toongaten kan gebruiken op zijn instrument.

Böhms nieuwe fluit zat akoestisch nog niet ideaal in elkaar, wat Böhm ertoe bracht om een geheel nieuwe fluit te ontwikkelen. In Londen stapt hij naar de fluitbouwer Gerock en Wolf om daar een nieuwe fluit te bouwen. Maar helaas, ook deze fluit bevredigt hem in het geheel niet. Daardoor gaat hij in 1831 naar München om aldaar verder te gaan met de fluitbouwerij.

Böhm begint een fluit te bouwen met de gaten op de akoestisch juiste plaats. Hij ontwikkelde een fluit met 13 gaten, wat voor velen onmogelijk was, maar voor Böhm geen probleem opleverde omdat hij op meerder toongaten z.g. ‘dubbelringen’ aanbracht. (Als je de klep met een ring dichtdeed, ging d.m.v. een opklapbaar heveltje een andere klep ook mee. Met één vinger kon men nu meerdere kleppen sluiten.)

Nogmaals moet worden opgemerkt dat het zeer belangrijk was dat de kleppen nu op de akoestisch juiste plaats staan.

Deze nieuwe (vernieuwde) fluit noemen we de RINGKLEPFLUIT.

Zeer zuiver spelen zonder overdreven vingerspanning was nu mogelijk. De greeptechniek werd hierdoor vereenvoudigd.

Tragisch was wel dat Böhm zijn grote vaardigheid op de Tromlitz-fluit moest opofferen.

In 1832 is zijn eerste ringklep-fluit klaar. Met dit instrument gaat Böhm nu ook optreden.

Grootste aanleiding om de fluit te verbeteren was voor Böhm dat het instrument altijd vals was.

De boring van deze nieuwe fluit is conisch. In 1832 treedt Böhm met zijn nieuwe fluit op in München.

Hij gaat met zijn nieuwe fluit voor een aantal concerten naar Londen waar men, met uitzondering van een aantal academici , niet erg enthousiast is.

We kunnen zeggen dat in 1833 de eerste ontwikkelingsfase van de dwarsfluit definitief is afgesloten.

De fluit heeft 4 ringkleppen en een open gis-klep. De grootste problemen met de dwarsfluit zijn nu opgelost.

Op zijn concertreizen was Böhm altijd op zoek naar bruikbaar hout, waar hij weer fluiten van bouwde.

Böhm wordt, op eigen verzoek, in 1829 koninklijk fluitbouwer van koning  Ludwig.

Opvallend  is nog dat Böhm in de periode dat hij in Londen bij Gerock en Wolf werkt, van de Engelsen, die het nut inzien van zijn uitvinding, patent krijgt op zijn ringklep-fluit.

In 1832 zat Böhm zo in de geldzorgen (vrouw en 7 kinderen) dat hij de Koning een lening vraagt van Fl.1000,- (uit de economische pot). De Engelse industriëlen worden enthousiast van Böhms fluit. Het lukt hem om samen met Schafheutel door middel van chemische toepassing de fabricage van staal te verbeteren. Böhm was een zeer omvattend genie.

Hij speelt op de academie in Parijs op zijn nieuwe fluit (1837). Door een zekere Kosch, die door invoering van de Duitse fluit een rechtstreekse aanval ziet op de Franse industrie, wordt Böhms uitvoering, door negatieve praat, de grond ingeboord. Ook beweert Kosch dat Böhm helemaal niet de uitvinder is van de ringklep-fluit.

In 1839 verschijnt het eerste leerboek voor de fluit, geschreven door Camus.

Böhm is teleurgesteld dat zijn werk niet geaccepteerd wordt. Hij stopt in de fluitmakers werkplaats en alleen Greve gaat verder.

Böhm houdt zich nu meer bezig met de ontwikkeling van technische apparaten. Hij vond o.a. een nieuw soort schoorsteen voor een locomotief uit. Toch is Böhm met dit andere werk ook niet erg gelukkig, zijn gezondheid gaat achteruit, en financieel zit hij aan de grond. In 1845 neemt hij zijn oude beroep weer op als hofmusicus en fluitleraar. Dit alles waarschijnlijk uit geldgebrek.

In Frankrijk was men wel zeer ontvankelijk voor Böhms nieuwe principes.  Ook  andere instrumentale vernieuwingen werden in Frankrijk enthousiast ontvangen.

In 1847 gaat Böhm verder met het oplossen van de akoestische problemen van de fluit. Professor Schafheutel, welke m.i.v. 1844 zijn huisgenoot is, staat hem hiermee bij. Resultaat: 13 april 1848 krijgt Böhm voor zijn akoestisch en technisch (door gebruik van andere materialen) verbeterde fluit patent voor de staat Beieren. Omstreeks deze tijd verschijnt het boekje ‘Über dem Flötenbau und die neuesten verbesserungen desselben’. Een boek, door Böhm geschreven, waarin hij o.a. de beschuldigingen verdedigt,als zou hij de ringklep-fluit helemaal niet uitgevonden hebben. Hij haalt uit naar Kosch.

Böhm ontdekte dat de akoestische problemen alleen te overwinnen waren met cilindrisch geboorde fluiten. De conische boring gaf hij op. Hoe wijder de boring, hoe groter de toon (luchtzuil). Buiken en knopen ontstaan het gemakkelijkst in cilindrisch geboorde fluiten.

Om een toonomvang van drie octaven te verkrijgen moest Böhm een buis van 20mm hebben. Alleen de hoge tonen waren daarop niet mooi, daarom probeerde Böhm een doorsnee van 19mm. Maar nu was weer het probleem dat de lage tonen in kwaliteit achteruit gingen. Böhm vond dat de kurk per octaaf verschuifbaar moest zijn.

Na veel wikken en wegen werd de afstand van het hart van de kurk tot aan het midden van het mondgat 17mm. Over de toon zegt Böhm dat er voor een mooie grote toon, grote gaten moesten komen op de akoestisch juiste plaats. Met kleine gaten is het overblazen (buiken en knopen) veel moeilijker.

De zuiverheid in het derde octaaf hangt voornamelijk af van de juiste plaats van de gaten. Om de juiste plaats van de gaten te vinden, vond Böhm een modelfluit uit met verschuifbare gaten.

Hij onderzocht verschillende materialen ten gunste van de klank en ontdekte dat zilver het mooiste klonk.

De eerste Böhm-fluit had een open Gis-klep en geen trillerklepjes.

Met deze overgang van de conische naar de cilindrische bespeling is de tweede fase van de fluitontwikkeling ten einde.

Böhm verkoopt zijn patent aan Rudall and Rose in Engeland en Godefroy in Frankrijk.

In het revolutiejaar 1848 gaat Böhm met pensioen (Ruhestand) en wijdt zich geheel aan het fluitbouwen. Hij wint op de wereldtentoonstellingen met zijn fluit medailles (een gouden in Londen 1848). Een hoge onderscheiding behaalt hij in 1855 in Parijs.

Böhm doet zijn werkplaats in 1861 over aan Mendler omdat  geen van zijn zeven zonen interesse heeft voor de fluitbouwerij. Die fluiten noemt men de Böhm-Mendler fluiten.

In 1862 wordt Böhm gevraagd deel te nemen als jurylid bij de wereldtentoonstelling in Londen.

In 1871 verschijnt zijn boek ‘die Flöte und das Flötenspiel’, waarin instrumenten en bouwprincipes worden beschreven. Ook besteedt hij in zijn boek aandacht aan voordracht en speeltechniek.

De laatste jaren van zijn leven besteedt Böhm aan lesgeven en onderhoudt hij een zeer uitvoerige correspondentie (wereldwijd) met fluitisten.

Op 25 november 1881 sterft hij in München.

De cilindrisch geboorde fluit naar het eind smaller wordend (conisch) , welke in 1847 afgebouwd werd, is tot op heden in principe niet veranderd.

 

BÖHM HEEFT GEZEGD DAT ZILVER EN HOUT DE BESTE MATERIALEN ZIJN VOOR DE DWARSFLUIT. EN HIJ KON HET WETEN! GOUD EN PLATINA MAKEN DE KLANK NIET MOOIER!!

 

De fluit is 616 tot 618 mm lang.

De doorsnee van de cilindrische boring is 17 en 18 mm.

Er zijn 17 toongaten en kleppen en 5 hulpgrepen.

De ringkleppen werden in Duitsland snel vervangen door gesloten kleppen, behalve het franse model. (open hole)

De vorm van het mondgat is beslissend voor het goed aanspreken van de toon. (mondgat 10-12 mm)

De hoogte van het mondgat is 4,2 mm, en de hoek van het gat ten opzichte van de buis is 7 graden.

 

-De mondgat verhoging is een uitvinding meneer Swedler.

-Het reform mondstuk is van Mönnig.

-Er wordt bijna niet meer op de oude conische ringklep-fluit gespeeld.                                                    

-De laatste uitloper van de Tromlitz-fluit die werd ontwikkeld was de Swedler-Krusler fluit.

-Voordelen cilindrische fluit: zuiverder, spreekt licht aan, grote toon.

-Voordelen conische fluit: warmere toon, kleur veranderingen zijn gemakkelijker uit te voeren.

 

In 1930 verscheen de fluitmethode van Köhler welke geschreven was voor een conisch geboorde fluit.

Toch won de cilindrisch geboorde fluit van Böhm  het van de conisch geboorde fluit.

Door de grote mogelijkheden van de cilindrisch geboorde fluit trok het ook componisten aan.

Zo schreven Ravel, Roussel, Fauré en componisten uit de ‘Groupe Des Six’ speciaal voor deze fluit.

Wagner, die de nieuwe fluiten in zijn orkest hoorde, vond het ‘lawaaibuizen’.

Ook Fürstenau was een tegenstander van de vernieuwde fluit.

De Böhmfluit was erg populair in Engeland en Frankrijk, de Duitsers zagen het helemaal niet zitten.

Dr.Ziegler in Duitsland en Sikkema en Climatou in Engeland gingen de oude fluit verbeteren, maar dit alles zette weinig zoden aan de dijk.

 

De Piccolo is in het orkest zeer geschikt om dramatische effecten weer te geven. De houten piccolo klinkt wat zachter. Zacht spelen op een piccolo kan heel mooi zijn.

 

Toon van de Altfluit is zacht. Ravel en Strawinsky gebruikten het veel.

 

De Basfluit wordt zelden gebruikt. ( Mahler, Reger)

 

Ook kennen we nog de Albizifoon met mondstuk pal boven op het tapse einde van de fluit. Wordt bespeeld als klarinet.

 

 

 

  




GESCHIEDENIS VAN DE FLUIT IN DE BAROK


Radicale verandering in instrumenten gebruik. Men gaat streven naar sterke emoties en men probeert te appelleren aan het hart van de luisteraar. (het publiek barst bij een treurige aria ineens in tranen uit) Het muziekdrama komt op. De muziek in de Renaissance was zeer evenwichtig, alle instrumenten hadden dezelfde belangrijke rol. Ook dat verandert, één van de stemmen is nu vaak het belangrijkst. Pater Messian heeft het dan nog maar over 2 fluiten. Het moet erg vals geklonken hebben, aangezien vele verhogingen en verlagingen met vork-grepen gespeeld werden.

De eerste sonates verschijnen. Waarschijnlijk is de eerste sonate geschreven door Rossi in 1616.

Instrumenten ondergaan een selectieproces. Alleen die instrumenten werden nog gebruikt die een groot toonbereik hadden. En de instrumenten moesten kunnen 'zingen'. Kromhoorn en Zink verdwijnen bijvoorbeeld. Er worden meer strijkorkesten opgericht, de strijkklank komt op. De eerste blaasinstrumenten die men toen weer wilde horen waren die instrumenten die nu nog in de orkesten gebruikt worden.

De dwarsfluit gaat nu de blokfluit geheel verdringen.

Een beslissende technische ontwikkeling in de tweede helft van de 17e eeuw: men gaat over van de cilindrische- naar de conische boring.

De fluit was over de gehele lengte conisch. De Franse fluitbouwers begonnen daarmee. (doorsnee 19mm bij het mondgat / doorsnee 14mm bij het uiteinde)

Men deed dat om de toon meer uitdrukking te geven. Het was een tweedelige fluit, in tegenstelling tot daarvoor, waar de fluit nog uit één stuk was gemaakt. Er zaten 6 gaten in, verdeeld in 2 groepen, met één klep op het 7e gat. (Dis klep) Uitgevonden door de familie Hotteterre. De as van de klep stond rond op de fluit.

Het corpus wordt in drie of vier stukken onderverdeeld, waartussen je verschillende lengte's middenstukken kon zetten waarmee je de stemming kon beinvloeden. Daarvoor moest men veel verschillende fluiten maken, wat nu niet meer nodig was. De familie Hotteterre verbeterde de fluit aanzienlijk. Het heette daarna de flute Allemande of de flute Traversiere. Hotteterre was dus erg belangrijk voor de ontwikkeling van de fluit. Hij is in 1660 geboren, en zijn vader was al een bekende fluitbouwer (was hofleverancier!).

Jaques Martin Hotteterre heeft een boek geschreven: 'Principe de la flute traversiére' (opus1 - 1707), waarin hij schrijft over de instrumenten uit die tijd. Hij schrijft over de fluit, en voegt een grepentabel toe, die gaat van D1 tot en met G3. Hij maakt verschil tussen de grepen Fis en Ges in het laagste oktaaf, en Cis en Des in het hoogste. Het is een driedelige fluit met een cylindrische kop en een conisch vervolg.

 

JOHANN JOACHIM QUANTZ

Een belangrijk figuur in de geschiedenis van de fluit is voor ons in ieder geval Johann Joachim Quantz. Geboren: Oberscheden 30 januari 1697 en gestorven: Potsdam 12 juli 1773. Opvoeding: Evangelisch Luthers.

Zijn vader was hoefsmid en wilde dat Joachim in de zaak kwam. Dat wil hij niet, en Joachim neemt op 11 jarige leeftijd de benen waarna hij beland bij Justus Quantz, die hem zij eerste muzieklessen gaf. Na drie maanden sterft Justus en Joachim gaat studeren in Fleishback, waar hij vijf jaar verbleef. (Hoofdvak:viool, hobo en trompet. Bijvak: zink, trombone, hoorn, blokfluit, fagot, basviool. cello en gamba) Op zijn twintigste vertrekt hij naar Wenen, waar hij theorie lessen volgt bij Fux. Hij reist veel, met als ideaal eens lid te worden van het hoforkest in Dresden.

In 1718 wordt hij aangesteld bij dat orkest. Aangezien het orkest ziet dat Quantz over bijzondere gaven beschikt, mag hij, op kosten van het orkest, door Europa reizen, om ervaringen op te doen. Intussen neemt hij fluitlessen bij Dufarduin, waar hij, naar eigen zeggen, uitsluitend techniek studeerde.

Dan gaat Quantz naar Italie, waar hij in Napels Scarlatti ontmoet en daarmee bevriend raakt. Toevallig is net ook Hasse (welke een een prachtige fluitsonate schreef) bij Scarlatti op bezoek. Quantz is bezeten van de dwarsfluit en Scarlatti, die in eerste instantie helemaal niet van fluit houdt, wil hem toch wel een keer op een concert begeleiden.

Scarlatti raakt zo onder de indruk van het spel van Quantz, dat hij zelfs een paar fluitsonates voor hem schrijft.

Op de terugweg studeert Quantz contrapunt in Venetie. Op 29 jarige leeftijd gaat hij naar Parijs waar hij Naudot en Blavet ontmoet. Veel van zijn sonates worden in Parijs uitgegeven. Hij is erg bezig met de fluit en zet er een tweede klep bij, wat waarschijnlijk de C of de Es/Dis klep is geweest.

In 1727 zegt de koning in Dresden dat Quantz maar eens terug moet komen. Dit doet hij niet , en hij reist zelfs nog naar Engeland, waar hij Handel ontmoet. Handel probeert hem daar te houden, maar Quantz ziet daar toch van af. Quantz gaat terug naar Dresden, en doet onderweg Amsterdam, Den Haag en Rotterdam aan. Hij merkt op dat in deze steden niets op muziekgebied te halen valt.

In 1728 speelt hij voor de Pruisische kroonprins, de latere Frederik de Grote. Deze is ook helemaal weg van zijn spel en vraagt om fluitles van Quantz. Dat gebeurde een paar keer per jaar. Er waren in die tijd geen goede fluiten, daarom bouwde Quantz ze zelf. In 1741 wordt hij aangesteld als kamermusicus van het Pruisische hof.

Waarschijnlijk deed Quantz dit ook om de goede sociale voorzieningen aldaar, en hij mocht in het koninklijk orkest meespelen.Voor iedere geleverde fluit kreeg hij 100 ducaten (ongeveer 275 thaler). Quantz verdiende in Potsdam 2000 thaler per jaar. Vergelijk dat met Carl Philip Emanuel Bach, die ook bij Frederik de Grote aan het hof werkte, maar het met een jaarsalaris van 300 thaler moest doen. Verder kreeg hij 100 ducaten voor iedere geleverde fluit. Er is een nota van Johann waarop staat dat hij 4 fluiten verkoopt aan Frederik de Grote voor 1100 thaler. Johann verdiende dus zo'n 3000 thaler per jaar. Een thaler van toen is qua koopkracht ongeveer gelijk aan 40 euro. Quantz verdiende dus 120.000 euro per jaar!!!
 En dan nog de extra's! Deze werden uitbetaald in Louis d'Or. 1 louis (goud) = 5,1 Reichsthaler (zilver) = €229,-

Fluitconcert leverde op ca. €7000,-

Trio leverde op ca.€4.600,-

Solo leverde op ca. €2.300,-

Voorzichtige schatting: 200 concerten en 200 solo sonate's en nog wat trio's. Dan kom ik op zo'n 2 miljoen euro aan compositie inkomsten. Dat moet je dus nog optellen bij zijn salaris en andere inkomsten!!!!!!

Quantz werd beroemd door zijn boek: 'Versuch einer anweisung die Flote Traversiere zu Spielen'. Een boek waar Quantz furore mee behaalde. Het gaat over de zeer algemene muziektheorie.

Frederik de Grote wilde geen andere muziek horen dan die van Quantz.

Quantz gaat een fluit bouwen met een Dis/Es klep. Quantz vond de beweegbare kurkschroef uit wat belangrijk is in de ontwikkeling van het instrument. Deze fluit noemde men de D-fluit (laagste toon D)

Quantz zou met zijn prachtige toon de andere gebreken van de fluit verdoezeld hebben.

Lees meer over Johann! www.quantz.org

 

Bach gebruikt in zijn oratoria dwarsfluiten in verband met de zachte klank.

Bij Bach:  Flauto - Blokfluit

               Flauto Traverso - Dwarsfluit

Eenvoudige Chromatische loopjes worden nu mogelijk. Gespeeld kan worden in de toonsoorten G en D.

Tromlitz schrijft het boek: 'Ausfuhrlichen und grundlichen Unterricht die Flote zu spielen'. Hij behandeld in het boek 14 regels voor het uitvoeren van versieringen. (geen dogma's!)

De klankkleuren gaan veranderen.